De Zeemeermin

De zeemeermin van Westenschouwen (Koudekerke/Westenschouwen)

Door Ruben A. Koman, projectleider DOC Volksverhaal Meertens Instituut, Amsterdam
(2008, met toestemming van de auteur geplaatst). http://www.docvolksverhaal.nl

Half-vis, half-mens-figuren behoren tot de fantasiewezens die al sinds de zevende eeuw worden afgebeeld in Europese ‘bestiaria’ (dierenboeken). Menig zeeman en landrot geloofde in het bestaan van dergelijke wezens, en op kermissen werden nog tot in de negentiende eeuw zeemeerminnen getoond, die in werkelijkheid bestonden uit samenvoegingen van dieren- en vissenhuiden. Een zeemeermin zou tot haar navel het lichaam van een vrouw bezitten, groot zijn, en een afschuwwekkend uiterlijk hebben met overvloedig en verwaarloosd haar. Verhalen over de zeemeermin zijn legio. Soms trouwt ze met een visser, dikwijls brengt ze echter onheil over stad of dorp, of lokt ze schippers met haar bekoorlijk gezang. De ontmoeting met een zeemeermin werd in het volksgeloof gezien als een teken van rampspoed. Bekende zeemeerminverhalen zijn de gevangen genomen zeemeermin van Edam en het kunstsprookje De kleine zeemeermin van Hans Christian Andersen. Verreweg het meest bekende zeemeerminnenverhaal in ons land is dat van Westenschouwen, dat ook aan het nabijgelegen Koudekerke wordt gekoppeld. In de Plompe Toren wordt daar de sage tegenwoordig op een draaiend ‘verhalencarrousel’ getoond en ongeveer als volgt op band verteld:

‘Volgens een oud verhaal werd over de streek rondom Westenschouwen ooit een vloek uitgesproken. Sindsdien zijn hier twee dorpen van de aardbodem verdwenen. Eén ervan was gebouwd rondom een toren. Ooit stonden hier huizen, liepen er mensen en dieren rond en renden er kinderen door de smalle donkere steegjes. Maar dit vredige tafereel werd opeens verstoord en het dorp hield op te bestaan. Had dit mysterie misschien te maken met dat oude, bekende volksverhaal?

Lang geleden voer er een vissersboot uit de haven van het dorpje Westenschouwen. Het was een prachtige zomerdag en de vissers zongen uit volle borst. De vangst was goed en al snel werd het laatste net uit zee getrokken. Het net was ontzettend zwaar, maar de vissers konden niet goed zien wat ze hadden gevangen. Was het een stuk hout? Een gigantische vis? Een monster? Terwijl het dichter en dichter bij kwam, bleek het gevaarte armen, een hoofd en een hele grote staart te hebben. Het was helemaal geen vis, het was een zeemeermin. Het mooie wezen zat met haar lange, groenblauwe haren wanhopig verstrengeld in het net. Over haar gezicht biggelden grote, zilte tranen. Haar man, die was achtergebleven in de zee, zwom in paniek rond de boot (in sommige verhaalversies met een kind in zijn armen). Hij schreeuwde en smeekte om de vrijlating van zijn vrouw. Maar de wrede vissers deden alsof hij niet bestond en zetten resoluut koers naar de haven. Vol trots hesen ze de zeemeermin aan wal, waar ze door het hele dorp werd bekeken. Vanuit de haven zag de zeemeerman hoe zijn vrouw met het uur verzwakte en tenslotte uitgeput stierf op de kade. De zeemeerman was verscheurd door woede en verdriet. Hij smeet een handvol zand en wier in de haven en riep een vloek uit over het dorp. Nog die zelfde avond stak de wind op en werd het land geteisterd door zware regen, storm en bliksem. De zee beukte harder dan ooit tegen de dijken.

Binnen een paar jaar was de haven van Westenschouwen verzand en werd de bevolking zo arm, dat ze als bedelaars rond het eiland moesten trekken. Het eens zo rijke, welvarende dorp was ten dode opgeschreven, raakte in vergetelheid en verdween in het niet. Maar de wraak van de zeemeerman was nog niet ten einde, want de vloek verplaatste zich landinwaarts, waar het vredige dorp Koudekerke moest wijken voor het woeste water. Alleen de Plompe Toren werd gespaard en staat sindsdien verlaten aan de rand van de Oosterschelde. Soms, wanneer het stormt, als de wind om de toren giert en de golven hoog opspatten tegen de dijken, weergalmt in de verte opeens een stem, die zegt:

‘Westenschouwen, ’t zal u rouwen
dat ge heeft geroofd mijn vrouwe,
Westenschouwen zal vergaan
alleen de toren zal blijven staan’.’

Tegen het einde van de vijftiende eeuw verzandde de haven van Westenschouwen. De sage van de zeemeermin moet het verval van dit eens zo welvarende dorp verklaren, zoals ook het verhaal van het Vrouwtje van Stavoren de teloorgang van de Friese handelsstad Stavoren moet verhelderen. Men vermoedt dat de sage tevens verteld is om de afbeelding van de zeemeermin en zeemeerman in het wapen van Schouwen te verklaren. Hoewel in de haven ‘maar’ vijf tot tien scheepjes konden liggen, vastgemaakt aan havenpalen, had Westenschouwen in de veertiende en vijftiende eeuw een betekenis die tot ver buiten de Nederlanden reikte. Westenschouwse vissers transporteerden haring, krab en uien naar Engeland en brachten wol, laken en steenkolen mee terug. De snelle verzanding in de vijftiende eeuw moet grote indruk hebben gemaakt op de bewoners van Schouwen. Veel land ging toen verloren door buitendijks moeren (veensteken) en door inklinking (de daling van het grondoppervlak veroorzaakt door een daling van de grondwaterstand) na betere afwatering. Er stroomde in de Oosterschelde meer water met vloed naar binnen en dus ook meer met eb naar buiten. De komberging (de mogelijkheid voor stromend water om bij opstuwing een ‘uitweg’ te vinden) werd groter, het zeegat werd wijder en de zeewaartse geulen werden dieper. Het vrijkomende zand en slib uit de Oosterschelde moet grote problemen voor Westenschouwen hebben veroorzaakt. De haven van Westenschouwen verzandde eerst, en kwam onder stuivend zand te liggen. Alleen de toren van Westenschouwen, die als baken diende voor de schepen, bleef na de verzanding staan. Na de stormvloed van 1530 en het verloren gaan van het Land van Reimerswaal kwam er nog meer zand in beweging richting de zee. Toen de duinen rond 1700 vrijwel weg waren, vond er doorstroming van het water plaatst en begon de kustafslag bij Westenschouwen pas goed.
Om de ondergang nog meer cachet te geven voegt de sage er aan toe dat de inwoners goddeloos en hoogmoedig leefden en de spanten van de schepen met zilveren spijkers aaneengeklonken waren. De inwoners droegen doordeweeks zelfs gouden schoengespen en de paarden waren er met gouden hoefijzers beslagen.
De sage over een zeemeermin die, al dan niet gevangen, de ondergang van een dorp of stad verkondigt, is een migrerende sage die zich heeft gehecht aan allerlei dorpen, steden en gebieden die door de zee zijn weggevaagd, of door een watersnood zijn getroffen. Het verhaal gaat over plaatsen als Bath, Dordrecht, Namen, Reimerswaal, Saaftinge, Veere, Zevenbergen en Zwartewaal. Dikwijls eindigt de vloek met de woorden: ‘Alleen de toren (of het dorp) zal blijven (be)staan’. Sinninghe (1943) plaatst het verhaal voor de wetenschappelijke vergelijking in het volksverhaalonderzoek onder het typenummer SINSAG 0031, ‘Die Prophezeiung des Meerweibes. Sie verkündet den Untergang der Hafenstadt (nachdem sie durch die Einwohner gefangen wurde)’, in feite een variant op het daaropvolgende typenummer ‘Das gefangene Meerweib’.
Voor zover bekend is de sage van de ondergang van Westenschouwen pas voor het eerst in 1843 opgetekend door F. Nagtglas in De Navorscher. Tegenwoordig is het verhaal in het gehucht Westenschouwen alleen nog op een strandbord te lezen. Toen de toren van Westenschouwen in 1845 werd verkocht en drie jaar later werd gesloopt, verplaatste de sage zich vrijwel direct naar de nabijgelegen Plompe Toren van Koudekerke, waar de Vereniging Natuurmonumenten het verhaal sinds 1997 uitbeeldt en op band laat horen aan het publiek. Bij laagwater komen soms de trap en houten paaltjes van het verdronken Westenschouwen tevoorschijn tussen zandbanken, vlak voor het strand van het huidige dorp. Dit gegeven wordt in volksverhalenbundels nog tot de sagen gerekend, maar tegenwoordig als vaststaand feit gezien.

Ruben A. Koman